Gratis verzending op alle Benelux-bestellingen boven €75 - op alle wereldwijde bestellingen boven €100.

Winkelmandje

Uw winkelmandje is leeg

Winkel verder

|

 

1988, toen ik nog van Oranje hield

  

Tekst door Thijs Delrue

 

Op het EK van 2021 nemen België en Nederland voor het eerst sinds 2014 allebei deel aan hetzelfde voetbaltoernooi. Toen, op het WK in Brazilië, strandde de gouden generatie van de Rode Duivels in de kwartfinales. Nederland, waar vooraf niemand nog in geloofde, tenzij Louis van Gaal, werd zowaar derde.

 

Typisch.

 

Vier jaar later, in Rusland, werd België derde. Maar iets in mij zegt dat als Nederland toen óók van de partij was geweest, het zeker de finale had gehaald. Dat ‘iets’, dat is mijn diepgewortelde Belgische underdogcomplex tegenover de Nederlandse sportieve suprematie, die ik nu al decennialang lijdzaam onderga. Niet alleen in het voetbal trouwens.

 

Elke vier jaar zijn vooral de Olympische Spelen een ongemeen harde confrontatie met de realiteit. Alleen al in mijn leven ziet de Nederlands-Belgische medaillespiegel er als volgt uit: 161 versus 34 medailles, 50 keer goud versus 9. Van een spiegel is dus niet echt sprake. (En dan tel ik de Winterspelen nog niet eens mee, er zijn grenzen aan masochisme.)

 

In nostalgische docu’s als Belgasport doen we lyrisch over het goud van sympathieke Fred Deburghgraeve, maar Pieter van den Hoogenband, Inge de Bruijn en Ranomi Kromowidjojo zwommen in de daaropvolgende olympiades elk drie keer naar goud. Als Andere Tijden: Sport over elke olympische kampioen een eerbetoon moet draaien, zit alle zendtijd vol tot de Spelen van 2120.

 

En wij tweetalige Belgen kunnen wel lacherig doen over de manier waarop de Nederlanders ‘concours hippique’ uitspreken, ruiter Anky van Grunsven stond wel negenmaal op het podium, de laatste keer in Londen in 2012. Daar was ene Lionel Cox onze beste atleet. Deze voltijdse arbeidsinspecteur schopte het tot ereburger van het Waalse dorp Amay door – amai! – vanop vijftig meter net niet raak genoeg te schieten met een kleinkalibergeweer. Zilver was zijn deel.

 

Vergeef me mijn cynisme. België mag enorm trots zijn op tennissters Kim Clijsters en Justine Henin – die laatste werd zelfs olympisch kampioene in Athene. En wat gezegd van Greg Van Avermaet in Rio? De koers is tenminste nog van ons!

 

Alhoewel. Jurgen Van den Broeck, jarenlang Belgiës rondehoop in bange dagen, schoof pas op naar de derde plaats in de Tour van 2010 nadat Contador en Mensjov op doping waren betrapt. Tom Dumoulin wón in 2017 de Giro. Op zijn fiets. En Mathieu van der Poel had zelfs het gore lef om Wout van Aert te verslaan in onze Ronde van Vlaanderen. ‘Het ligt aan onze bourgondische volksaard’, hoor ik Belgen weleens verklaren. Maar waarom pakt onze beste cafésporter dan uit met vreugdedansjes als niet hij, maar wel de Nederlander Michael van Gerwen al driemaal wereldkampioen darts werd?

 

Het spijt me, maar met de jaren is de emmer der vernederingen nu eenmaal vol. In plaats van bewondering op te wekken voor zoveel professionalisme en winning spirit, vulde de vergelijking met onze noorderburen mijn sporthart met kleingeestige afgunst.

 

Nochtans was het ooit anders.

 

Ooit is 1988, toen in West-Duitsland het Europees kampioenschap voetbal plaatsvond. Zonder de Rode Duivels helaas, die twee jaar eerder nochtans onverhoopt vierde waren geworden op de Mundial in Mexico. Omdat hun exploten plaatsvonden in het holst van de Belgische nacht, moest ik als zevenjarige mijn bed uit kruipen telkens als er gejuich opsteeg in de woonkamer. Dan ging het in 1988 helemaal anders, in West-Duitsland dus. Onze tijdzone. Dit toernooi zou ik zo live mogelijk beleven, en bij gebrek aan Belgen besloot ik voor Nederland te supporteren. Dat was de evidentie zelve. Tenslotte keken wij in dat pre-commerciële-tv-tijdperk tijd nog even vaak naar Ted de Braak als naar Walter Capiau.

 

Wat een spelers ook! Gullit, Van Basten, Rijkaard, Ronald Koeman, maar ook diens broer Erwin (KV Mechelen) en Adri van Tiggelen (Anderlecht), twee halve Belgen. De deceptie was dan ook enorm toen de openingsmatch tegen de Sovjet-Unie totáál onverdiend werd verloren. Doelman Dasajev toonde zich onklopbaar, terwijl aan de overkant een Rus met de rare naam Rats die ene kans overhoeks binnenjaste. (Later zou hij een Oekraïner blijken te zijn, maar in 1988 had geen westerling ooit al van dat land gehoord.)

 

Het Nederlandse zelfvertrouwen, waar de doorsnee bescheiden Belg zich blauw aan ergert maar ik toen nog niet, kreeg een knauw van heb ik jou daar. In de eerste helft tegen Engeland was Oranje even flets als die afgrijselijke shirts met visgraatmotief, een vrij accurate illustratie wel van het Nederlandse talent voor mode. Gelukkig was er ene Marco van Basten. Tegen de USSR had hij, amper fit, vrede moeten nemen met de rol van invaller, maar tegen Lineker & co. liet bondscoach Rinus Michels hem starten. Met drie goals bezorgde rugnummer 12 de twaalfde man een delirium: 3-1.

 

 

Van Basten verwarde me. Zijn eindeloos lange benen, kaarsrecht en met de voeten zelfs wat naar buiten, stonden in schril contrast met de kromme O-beentjes van Jan Wouters, in mijn jonge hoofd een voorwaarde voor technisch verfijnde voetballers. Maar Van Basten verhief steltlopen tot een kunst. En hij kon nog aardig tegen een bal trappen ook.

 

Hóé aardig zou later in het toernooi pas echt duidelijk worden, want tegen het verrassende Ierland eiste Marco geen hoofdrol op. Die was voor Wim Kieft, die een gekraakt schot van Ronald Koeman met zijn kruin in doel deed caprioleren, rot van effect. Dat Kieft uit buitenspel kwam, zou me Unox-worst wezen. En de VAR was toen nog een verre droom/nachtmerrie. Nederland plaatste zich ternauwernood voor de halve finale, tegen thuisland West-Duitsland.

 

‘Om historische redenen belooft dit een beladen duel te worden’, zo klonk het vooraf, verwijzend naar de verloren WK-finale van 1974 en nog iets anders, ergens in de jaren veertig. Ik nam klakkeloos de anti-Duitse gevoelens van de Nederlanders over. Tijdens de grimmige match ergerde ik me aan het theater van Rudi Völler en de arrogantie van Lothar Matthäus, maar kneep ik een oogje dicht toen Van Tiggelen die laatste genadeloos tegen de grond beukte. En hoe ik ooit heb kunnen supporteren voor zo’n provocerende etter als Van Breukelen, is me tot op heden een raadsel. Toen de ref een wel erg lichte penalty toekende aan de thuisploeg, gaf de doelman hem een sarcastisch applausje. En zijn duim ging ook nog omhoog. Dat vond ik allemaal best, want Hans had gelijk.

 

Matthäus trapte de Mannschaft op voorsprong, maar Nederland kreeg twintig minuten later een ‘goedmakertje’. Houthakker Jürgen Kohler had Van Basten al 307 keer foutief onder de zoden gemoffeld, maar bij zijn 308ste tackle – volledig reglementair dit keer – dook de Hollandse Zwaan/Schwan als een volleerde Zwaluw/Schwalbe in het gras. Decennia later zou ik fopduiker Arjen Robben luidkeels verfoeien, maar Van Basten kwam ermee weg. Strafschop. Ronald Koeman. 1-1. Gerechtigheid!

 

En in de 88 ste minuut zorgde Marco helemaal voor de Bevrijding door met zijn uitschuifbaar been de 2-1 voorbij Eike Immel te sliden. Ik was door het dolle heen, ook al omdat mijn moeder vastberaden was me vóór de verlengingen naar bed te sturen.

 

 

Op zaterdag 25 juni 1988 zat ik kort na de middag al aan de buis gekluisterd. In aanloop naar de finale tegen de Sovjets, warmde de NOS de thuisblijvers op met beelden van het Oranje-legioen (waar de doorsnee bescheiden Belg zich blauw aan ergert, maar ik toen nog niet).

 

Van kop tot teen in het oranje, met pruiken en plastic klompen op hun hoofd, zongen ze ‘Hup, Holland, hup, laat de leeuw niet in zijn hempie staan’. Ik brulde zowaar mee, en deed dat rond kwart na vijf nog luider, toen André Hazes kweelde: ‘Nederland, o Nederland, jij bent een kampioen!’ Dat was intussen waarheid geworden, met dank aan die kopbal van Ruud Gullit, maar vooral aan die ene aardige trap. Die beheersing, in één tijd op de slof, die hoek, die baan van de bal, tegen díé doelman, in díé wedstrijd, Vanenburg die om zich heen naar bevestiging zoekt voor wat hij net heeft aanschouwd, die lach van het juichende genie zelf, die arm in de lucht, die hand voor de ongelovige ogen bij de huppelende Michels. Aan alle sportjournalisten aller tijden: dát was een wereldgoal.

 

Zonder enige schaamte en wars van enige nationalistische gevoelens (toch geen Belgische of Vlaamse) hoorde ik mezelf verder meezingen met André: ‘Wij houden van Ora-anje, om zijn daden en zijn doen.’

 

Maar dat was dus 1988.

 

33 jaar later, nu een nieuw EK aan de gang is, krijg ik die woorden niet meer over de lippen. Er is in tussentijd te veel gebeurd. Of te weinig, vanuit Belgisch oogpunt. Anders dan in 2014 zijn het dit keer de Rode Duivels die net over hun top zijn, en kan Nederland na twee gemiste toernooien uit het dal klimmen. Dus mogen wij dan eindelijk, eindelijk eens beter zijn? Voor één keer de finale halen? En als die tegen Nederland is, mogen we die dan alsjeblieft winnen? Dan is mijn kleingeestige afgunst in 2022 misschien gesmolten als een bol Goudse kaas in de Qatarese zon.

 

Thijs Delrue 

 

Thijs Delrue heeft als auteur/ghostwriter van sport- en andere boeken een voorkeur voor authentieke portretten. Hij schreef onder meer de biografieën van Sven Nys, Paul Van Den Bosch, André Meganck en Stig Broeckx. Daarnaast publiceert hij onder het pseudoniem De Koperen Kogel columns over de sportactualiteit op Facebook en in tijdschriften.

 

Volg hem op Facebook via De Koperen Kogel of bekijk een overzicht op zijn website