Sommerschlussverkauf! 2+1 auf alle Artikel! Last-Chance-Artikel - bis zu 70% Rabatt!

Warenkorb

Ihr Warenkorb ist leer

Mit dem Einkaufen fortfahren

Laat ons dromen, Piraat

Arnon Grunberg schreef over hotels dat ze ‘de meeste worstelingen licht en draaglijk’ maken. Voor Marco Pantani betekenden hotels vooral onthechting, tijdelijkheid en onderdak bij gebrek aan een echt thuis.

 

Veel mensen geloven dat er met de dood van Marco Pantani op Valentijnsdag 2004 in kamer D5 in Hotel Le Rose te Rimini (overdosis) een einde kwam aan een sterven dat een kleine vijf jaar duurde. Goedbeschouwd neemt ieder sterven een heel leven in beslag, maar in het geval van Pantani kun je tot op de minuut nauwkeurig aanwijzen waar de aftakeling inzette.

 

5 juni 1999, in het wintersportdorp Madonna di Campiglio.
Hotel Touring.
Weer een hotel.

 

Matt Rendell, een van Pantani’s biografen, reconstrueert in zijn boek De dood van Marco Pantani de ochtend van die vijfde juni minuut voor minuut, hij ontwart de kluwen aan gebeurtenissen en probeert het onverklaarbare te verklaren. Wat we dankzij Rendell in elk geval weten, is dit: om 7:15 werd er op Pantani’s kamerdeur geklopt. Dopingcontrole.

 

 

Om 09:40 werd Pantani’s ploeg op de hoogte gesteld van het feit dat zijn hematocrietwaarde twee punten boven het toegestane maximum van vijftig lag. Conform de regels van dat moment werd de drager van de roze trui automatisch vijftien dagen uitgesloten van competitie. Terwijl de andere renners van de Mercatone Uno-ploeg op de hoogte werden gesteld, keerde Pantani terug naar zijn kamer en ramde daar zijn hand door het raam.

 

Er was iets met Marco Pantani, altijd al. Iedereen zag het. Zodra hij in 1992 overstapte naar de profs viel hij op. Nu vallen jonge renners wel vaker op, maar Pantani’s opvallen leek groter, veelomvattender, hypnotiserender.

 

Het zat hem in de elegantie op momenten van grote inspanning, die contrasteerde met het koboldachtige kereltje dat hij naast de fiets was, en het zat hem in zijn blik. In de ogen van Marco Pantani deelden een kinderlijke zachtheid en een angstaanjagende duisternis een kamer.

 

Binnen twee jaar was hij een van de meest veelbelovende wielrenners ter wereld. Hij won ritten in de Giro, en de witte trui in de Tour. In zijn aanvalslust en feilloos gevoel voor drama leek hij op zijn kopman Chiappucci, die hij in stijl en uitstraling echter ruim de baas was. Pantani leek bergop altijd harder te rijden dan de rest, ook als hij de besten niet kon volgen.

 

In een periode dat het wielrennen snel leek te veranderen in een sport waarin berekenende beren als Indurain, Olano, Ullrich en Tonkov het in de grote rondes voor altijd voor het zeggen zouden krijgen, was Pantani een improvisator, een solist in een sport die meer en meer een teamsport werd. Een klimmer bovendien die zo zwakjes presteerde in tijdritten dat je je afvroeg of zoveel onkunde niet het gevolg was van pure onwil.

 

Zijn lust tot aanvallen en zijn fysieke beperkingen op elk vlak behalve het hooggebergte maakten van Pantani al een dramatische figuur, jaren voor hij een paar keer een doodsmak maakte en, nog weer later, eenzaam ten onder ging. Met name Italiaanse fans begrepen zijn strijd, hem zien koersen bracht hen niet alleen terug naar een tijd dat het wielrennen nog een spel zonder berekening was maar ook naar een tijd dat ze zelf nog jong en spectaculair waren.

 

Steeds meer mannen van middelbare leeftijd hesen zich eind jaren negentig in een Mercatone Uno-pakje, bonden een zakdoek rond het hoofd en zochten de dichtstbijzijnde steile berg om zich een hartaanval te fietsen. Pantani was het kind tussen volwassenen. Hij was George Best bij Manchester United, Roberto Benigni in Down by Law. Hij was wie je zelf diep van binnen dacht te zijn.

 

Dat hij in 1998 de Giro en de Tour won, in een jaar dat niemand nog een cent voor een door doping verziekte sport over had, was het soort troost waar mensen nu eenmaal nogal ontvankelijk voor zijn. Pantani zou het wielrennen vernieuwen, hij zou de nieuwe Coppi worden.

 

 

In die Giro van 1999 leek hij zelf ook in die profetie te zijn gaan geloven. Zijn overheersing in was verbijsterend, en om eerlijk te zijn: een beetje beangstigend. Pantani won op elke aankomst bergop, vaak met grote voorsprong. Op oude beelden is te zien hoe schrikbarend groot in die weken het verschil tussen hem en de rest was. Rendell schrijft dat het voelde alsof je naar een superheldenfilm zat te kijken.

 

Neem de 15 de rit: op een paar kilometer van de streep liep de ketting van Pantani’s fiets. Na een woeste achtervolging waarin hij vijftig man inhaalde, belandde hij vooraan, bij Laurent Jalabert, die de hele ronde door halfslachtige pogingen deed hem uit te dagen. Pantani stoof Jalabert voorbij en won. Toen ze Jalabert na afloop vroegen wat hij op dat moment had gedacht, antwoordde hij: ‘Snel aan de kant, anders rijdt hij nog over me heen.’

 

La Gazzetta dello Sport schreef: Pirata, facci sognare. Laat ons dromen. Als wel vaker bedroog de schijn. Onder de moeiteloosheid school iemand voor wie het leven een opgave was. Een kwetsbaar kind, dat manische buien afwisselde met periodes van grote somberte. Zij die ervan wisten zagen in Pantani’s aanvallen bergop geen gedachteloos omhoogvallen meer, maar een verbeten vlucht voor uiteenlopende angsten.

 

 

Er zat iets duisters in Pantani’s souplesse. Hij moet een egomane, diep onzekere jongen zijn geweest, iemand die zijn bijnaam eigenhandig van Elefantino (vanwege zijn uitstaande oren) had veranderd in het stoerdere Il Pirata.

 

Op twee dagen van het einde van de ronde, in Hotel Touring in Madonna di Campiglio, eindigde Pantani’s carrière, jaren voor-ie echt afliep. Terwijl de Giro voortging zonder roze trui, ging Pantani naar huis, naar Cesenatico. Daar gaf hij een paar dagen een verwarrende persconferentie, waarin hij constateerde dat niets zijn schuld was.

 

In de jaren erna liep alles wat mis kon lopen mis: zijn relatie ging uit en er volgden doping- en politieonderzoeken. De interesse van het publiek was inmiddels gericht op Armstrong. Pantani zonderde zich meer en meer af, binnen en buiten het peloton, hij raakte aan de drugs en fietste uiteindelijk voornamelijk nog om zijn verslavingen voor te blijven.

 

Hij won nog twee ritten in de Tour, meer als een struikrover dan als de koning die hij ooit leek te zullen worden. Ook reed hij nog drie keer de Giro – elk jaar met een beetje minder hoop dan het vorige. De hypnose was voorbij, de werkelijkheid had zich vanuit de schijn een weg naar buiten gegeten.

 

Marco Pantani is ook na zijn dood weinig rust gegund. Al jaren worden films en boeken gemaakt over de mogelijke betrokkenheid van de camorra bij de positieve test van Madonna di Campiglio. Aanwijzing daarvoor is een brief van de maffioso Renato Vallanzasca en een onduidelijke geluidsopname uit de gevangenis. De met vragen en onduidelijkheden omgeven overdosis uit 2004 zou in werkelijkheid een moord zijn geweest. Het onderzoek naar deze theorie werd in 2016 gesloten. 

 

Tekst Frank Heinen 
Illustraties Roeland Holemans
(Instagram)

 

Frank Heinen (1985) schrijft voor uiteenlopende kranten, tijdschriften en tv-programma's over sport en cultuur. Momenteel is hij onder meer columnist voor HP/De Tijd, de Volkskrant, De Muur en Bahamontes en de maker van het eindsignaal van Studio Voetbal. Daarnaast schreef hij de wielerboeken 'Uit Koers' en 'De Kleine Heinen' en de roman 'De zaak Tom'. Voor zijn laatste boek, 'Buiten de Lijnen' (2019), kreeg hij onder meer de Nico Scheepmaker-beker voor Beste Sportboek van het Jaar. Volg hem op Twitter.